Alleen bomen komen elkaar nooit tegen

@ovan

De boom stond er helemaal alleen. Oorspronkelijk was hij deel van een bos, maar dat hadden ze gerooid, omwille van de steenweg. Hij mocht blijven. En om de 20 meter stond er nog eentje, een beetje troosteloos. Maar goed, ze leefden tenminste nog. Dat dachten ze bij momenten, en zo hielden ze zich sterk, door voor- en najaarsstormen.

Je went aan alles, dus ook zo’n boom. Ok, het was gezelliger toen ze nog dichter op elkaar stonden, en hun voeten bedekt werden met kreupelhout en struikgewas, waar ze wat op konden neerkijken, maar zo’n rijtje, dat had ook wel wat. Het was ordelijk, en hij had wel wat contact met de jongens voor en achter hem. Echt hartelijk was dat niet maar het was te verkiezen boven de houtzagerij.

Maar toen kwam de modernisering er aan, en ineens kwamen ze zo’n ding naast hem planten… Man, man wat was dat?  Zo’n bonenstaak, slank en recht, maar totaal geen gevoel. En arrogant! ‘T begon al toen ze er goed en wel ingeworteld was, hij herinnerde het zich nog als gisteren. ‘T was winter, en ok, dan was hij niet op zijn best. Maar dat is toch geen reden om – als nieuwkomer, jonge aanplant – iemand die er al vijftig jaar stond te schofferen?

‘Waar is uw licht?’ had ze gevraagd. Hij wist niet wat ze bedoelde. ‘Gij rayonneert niet ’s nachts, of wa? kwam ze terug, met zo’n afgemeten, pinnig stemmetje. Hi  zou gezworen hebben dat er wat Frans in doorklonk. Maar dat kan natuurlijk niet.

‘Neen, ik rayonneer niet, ik groei! wacht maar tot het zomer wordt’ had hij gezegd.

Stilletjes moest hij toegeven dat hij het wel indrukwekkend vond. Overdag stond die zwieplap daar maar te staan, allesbehalve imposant, schriel en  lelijk zelfs, maar ’s nachts… Dat was potverdorie andere koek. Eerst haperde ze wat, en begon ze wat te blozen, maar dan ineens, op volle sterkte, verspreidde dat ene blad, wat potsierlijk op haar kop, een ongelofelijk brede bladerkrans. Dat had hij nog nooit gezien, ook niet bij de oude eiken in het bos vroeger… en tegen dat de zon er terug was, werd die kroon valer, en uiteindelijk zag je alleen maar die staak. Vreemde snuiter, raar boompje.

Die hele winter deed ze zo hautain tegen hem… ‘Waarom straalt gij niet? Gij zijt altijd hetzelfde, met uw kromme paal en uw lichten die niet werken!” Altijd opnieuw had ze’t over lichten. hij begreep dat niet, hij had takken, bladeren en een stam. Wist hij veel wat een paal was. Hij wist dat ze dat met een aantal gesneuvelde kameraden geflikt hadden. Daar hadden ze palen en planken mee gemaakt, dus voor hem was dat nogal een somber idee.

Die hele periode ging op aan gekibbel en gesnib. Zij vanuit haar stralende arrogantie, hij vanuit het verstoren van zijn natuurlijk evenwicht en het confronterende van haar aanwezigheid.

En toen kwam de lente eraan. Hij voelde de energie door zijn stam vloeien, en overal aan zijn knoestige takken kwamen scheuten en jonge blaadjes.

Madame bekeek het aanvankelijk vragend en spottend… ‘Gij wordt groen, ge zijt ziek , ze gaan u komen halen…’. Hij schudde zijn takken even door elkaar, en hij wist wel beter…

Naarmate de lente vorderde groeide de kruin en werd hij alsmaar voller en mooier. Tot het moment, dat ook het scharminkel moest toegeven… ‘Zo mooi… ik wil ook zo’n kleedje’. Misschien was het toeval, maar haar lichtkruin brandde veel minder fel en lang, of was dat iets wat hij zich inbeeldde?

De zomer was van hem. Zacht groen, prachtig ruisend stond hij daar, breeduit, mannelijk en stoer. Fietsers hielden halt aan zijn stam en rustten wat uit, kinderen kwamen briefjes in zijn bast stoppen. Hij liet het begaan, en zij keek naar hem… jaloers, zwijgend, en haar lichtje scheen mee te treuren… het flakkerde alleszins niet op , en maakte weinig of geen indruk.

Toen kwam de herfst, hun allereerste herfst samen. Zij keek verschrikt. Uw lampjes worden bruin, ze vallen af… Het is dof, ge zijt kapot… ze moeten u komen verven… Hij begreep niets van haar gereutel…  En het was alsof ze kickte op jaloezie, want haar lichtkrans begon weer langer te branden. De feeks!

De blaadjes verzamelden zich rond hun beider voeten, en zij moest ook toegeven dat dat wel lekker was… zo’n bladertapijt. Het was het begin van een toenadering.

Zij nam weer over, de winter was van haar de nachten ook. De dagen en de zomer waren van hem. Ze konden niet dichter bij elkaar komen, maar ze begrepen elkaar nu veel beter.

Wat tijd al niet vermag.

Advertenties

Over guidooohh

Mensch, thirsty for life, interested in human interaction and curious about stupidity in general

  1. Cato

    Ontroerend mooi! Doe zo voort.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: